Bereikbaar en leefbaar

Bouw.jpg30 september 2026

Vandaag spreken we over de onteigeningsbeschikking voor de N207 Zuid. Dit is niet een moment om opnieuw de aanleg van de N207 Zuid ter discussie te stellen.

a. Statenvoorstel Vaststellen en terinzagelegging onteigeningsbeschikking en instemmen met zienswijzennota N207 Zuid

Het mag duidelijk zijn: de ChristenUnie is geen voorstander van de aanleg van deze weg en gekozen route voor de ecologische verbindingszone. De weg levert meer problemen op dan dat ze oplost. De ecologische verbindingszone is een doodlopende zone die niets verbindt, zonder zicht op verdere realisatie.

Maar die politieke discussie is gevoerd en een meerderheid van de Staten heeft voor de aanleg van deze weg en deze ecologische verbindingszone gestemd. Dan moeten nu de vervolgstappen zorgvuldig genomen worden.

Daar hoort ook de onteigeningsprocedure bij. Niet omdat er onteigend moet worden, maar alleen bij een onteigeningbeschikking heeft de eigenaar recht op een volledige vergoeding die hem in dezelfde vermogenspositie als voor de onteigening houdt.

Vraag: klopt het dat uitgangspunt blijft om er met elkaar uit te komen, maar dat deze onteigeningsbeschikking nodig is om tot volledige schadeloosstelling te kunnen komen?

Het is aan ons als PS om te beoordelen of aan de vereisten voor onteigening is voldaan:

  • Er moet een onteigeningsbelang zijn,
  • Onteigening moet noodzakelijk zijn
  • En er moet urgentie zijn,  en dat voldaan is aan de eisen van noodzaak tot onteigening en urgentie.”

Met de politieke besluitvorming over de aanleg van de N207 Zuid is er een onteigeningsbelang.

Er is serieus werk gemaakt van minnelijk overleg, blijkt uit de stukken. Maar er is nog geen overeenstemming. Daarmee is er ook een noodzaak. En de urgentie zit erin dat me op afzienbare termijn de weg aan wil leggen.

Vraag: waarin zit de urgentie van het aanleggen van de ecologische verbindingszone?

b. Statenvoorstel Startnotitie Herziening Omgevingsbeleid Volkshuisvesting en Ontwerp wijziging van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in verband met de Wet en het Besluit versterking regie volkshuisvesting

Voorzitter, het heeft drie jaar geduurd, maar met de verkiezingen in zicht kunnen we eindelijke spreken over het wegen van mogelijke nieuwe woningbouwlocaties.

Daar hebben we ons als ChristenUnie stevig voor ingezet. Samen met de puddingbroodjescoalitie. Vanuit het perspectief van de leefbaarheid en vitaliteit van wijken, dorpen en steden.

Er is ruimte gekomen voor het straatje erbij. En nu is er ook ruimte om nieuwe buitenstedelijke bouwlocaties te wegen. Maar van stilstand gaat het college nu in de overdrive. Van nul naar honderd lijkt het wel.

En dat doet geen recht aan de positie van de Staten. 9 september ontvingen wij de het statenvoorstel met de Startnotitie. Dat is twintig dagen geleden. In die twintig dagen hadden we ook nog een Statenvergadering voor te bereiden.

Ik zal eerlijk zijn. Ik heb contact gezocht met alle lokale ChristenUnie-fracties en alle wethouders wonen van de gemeenten die genoemd worden in de startnotitie. Ik heb gemaild, gebeld, geappt. Maar ik heb simpelweg tijd te kort om alles goed te kunnen wegen. Deze vergadering helpt bij de oordeelvorming, maar ik weet nog niet of mijn fractie, voor wat de startnotitie betreft, het stuk rijp vindt voor besluitvorming. Die weging zal ik in tweede termijn maken.

Aanpassen verordening

Ik snap de haast als het gaat om het aanpassen van onze verordening aan de wet en het besluit regie volkshuisvesting. Dat moet op 1 januari geregeld zijn. Akkoord om een delegatiebesluit voor te bereiden om de bevoegdheid tot vaststelling van de voorgestelde wijziging te delegeren aan Gedeputeerde Staten om de verordening in lijn te brengen met de wet en het besluit versterking regie volkshuisvesting. Maar dan gaat mijn fractie er wel vanuit dat dit een beleidsarme wijziging is, kan GS dat bevestigen?

Eén vraag hierbij. Het nieuwe artikel 7.47a, stelt dat de provincie de werkwijze en systematiek van ‘planlijsten’ via het digitale provinciale planregistratiesysteem, continueert. Een keer per jaar beoordelen gedeputeerde staten de planlijsten. Daarbij geven ze aan in hoeverre de woningbouwplannen op deze lijsten passen in het provinciale volkshuisvestingsprogramma. Is GS bereid deze beoordeling/weging met PS te delen? Ik overweeg een amendement op dit punt, wat zich wat slecht tot delegeren verhoudt.

En op pagina 5 staan in de lijst met Gemeenten behorende bij een woningbouwregio staan nog de gemeenten Brielle, Hellevoetsluis en Westvoorne genoemd, die toch al sinds een aantal jaar gemeente Voorne aan Zee vormen.

 

Startnotitie herziening omgevingsbeleid Volkshuisvesting

deel A, het toevoegen van nieuwe, grote buitenstedelijke (woning)bouwlocaties aan het provinciale omgevingsbeleid

Eerst over de locaties:

Mijn fractie is blij dat er 22 locaties opgenomen zijn die gewogen gaan worden. Over het wegingskader kom ik zo nog te spreken. Blij dat bijvoorbeeld ’t Oog erop staat, waar wij ons eerder voor ingespannen hebben. Maar er is ook wel een mate van willekeur. Want er is geen uitvraag gedaan bij gemeenten?

Het wordt meegedeeld alsof het logisch is, maar mijn fractie begrijpt dit niet. De toezegging was om voor het einde van het jaar met een startnotitie te komen. Dat bood hier toch ruimte voor?

Maar de haast bij de startnotitie lijkt zorgvuldigheid in de weg te zitten. Ik hoor nu van wethouders dat ze verrast zijn door deze startnotitie. Mijn fractie kent ook andere plannen, die ontbreken in deze Startnotitie.

Goeree-Overflakkee:

  • Nollepolder Melissant
  • Bloemendaal Dirksland
  • Zandweg Zuid Achthuizen
  • Zuidkant Oude Tonge
  • Bloemendaal Dirksland

Barendrecht

  • Polder Ziedewij-Oost

En er zijn een aantal locaties waar het naar buiten verplaatsen van bedrijven ruimte maakt voor binnenstedelijk bouwen. Mijn fractie overweegt amendementen of het steunen van amendementen om ook deze locaties goed te kunnen wegen op de uitgangspunten van het omgevingsbeleid.

 

Dan over de termijn waarop locaties tot realisatie moeten komen?

Deze herziening richt zich daarbij specifiek op nieuwe, grote buitenstedelijke woningbouwlocaties die op korte termijn gerealiseerd kunnen worden (start bouw in de periode 2030 – 2032) en daardoor niet kunnen wachten op een volgende (integrale) herziening van het provinciale omgevingsbeleid (de Herziening 2028).

Maar dat gaat uit van de aanname dat als alles wel gerealiseerd zou worden, er ook op de juiste plekken gebouwd is. Maar de realiteit is anders. Dat zegt mijn fractie al jaren: vanuit het oogpunt van leefbaarheid en vitaliteit van dorpen en kernen zijn er daar ook bouwlocaties nodig. Soms een straatje erbij, soms een wijk erbij.

Daarom heeft mijn fractie grote vraagtekens bij de voorwaarde dat locaties op deze korte termijn gerealiseerd moeten worden. Dit wringt te meer, omdat de coalitie eerst de boel op slot heeft gezet. En dan nu de eis stellen dat er kant en klare plannen klaar liggen.

Dat voelt een beetje als dat ik ’s ochtends tegen mijn zoon zeg dat hij niet hoeft te koken, maar als ik na het werk thuis kom vraag of het eten al bijna klaar is. Dat wringt toch.

Daarnaast is het de vraag hoe realistisch dit is. Je hoeft maar tegen een bezwaarprocedure en beroep bij de Raad van State aan te lopen en het raakt uit beeld. Is het een idee om eisen te stellen wanneer de planvorming klaar moet zijn (in 2030 of een jaar eerder) maar voor de start van de bouw meer ruimte te geven?

Tot slot de voorwaarden waaraan de plannen getoetst zullen worden

Veel voorwaarden klinken logisch en zijn goed om rekening mee te houden. Bij een enkele voorwaarde vraag ik me af of ze er stevig genoeg inzitten. Bijvoorbeeld bodem en water sturend.

Maar de optelsom van alle voorwaarden is heel fors. Is dit het normale toetsingskader wat ook voor reguliere projecten geldt, of zijn dit zwaardere eisen?

Een paar voorbeelden:

  • Beweegvriendelijke leefomgeving: in hoeverre de ontwikkeling van deze locatie bijdraagt aan de ontwikkeling van een beweegvriendelijke leefomgeving.
  • Kansrijk vogelweidegebied: hier hebben we voor gewaarschuwd bij de herziening van het omgevingsverordening. Eerst een heel groot areaal kansrijk vogelweidegebied benoemen en het vervolgens tegenwerpen bij woningbouw.
  • Recreatie: effecten op recreatiegebieden en -routes (zoals fiets- en vaarroutes).

Dat telt op tot een heel zwaar toetsingkader. Dan dringt de vraag zich op? Willen we wel bouwen?

Labels

« terug naar overzicht